NAP Process Industry Network

  1. Login
  2. Contact
  3. Google translate

Contactbijeenkomst

Energietransities en lessen van een oud bouwproject

Op de vierde NAP-contactbijeenkomst in 2016 zijn twee onderwerpen aan de orde gekomen die nieuwe inzichten gaven, hoe de dagelijkse praktijk in het eigen bedrijf een nieuwe draai te geven. Allereerst gaf Yvonne van Delft van ECN aan hoe elektrificatie de Europese procesindustrie kansen biedt haar concurrentiepositie op de wereldmarkt te behouden.

Na de pauze gaf Frank van Ewijk van Shell aan de hand van een pubquiz inzicht in de bouw van de Eiffeltoren in 1889 en wat dat vertelt over onze huidige bouwpraktijk.

Yvonne van Delft schetste het beeld van de Europese procesindustrie aan de hand van een analyse van de Rabobank uit 2014. Weliswaar is er een grote kennis van de chemie en zijn er veel downstream activiteiten, maar het grote probleem zijn de operationele kosten, met name de energie- en feedstockkosten en een daling in de eindvraag. Daarnaast is er nog een grote afhankelijkheid van fossiele brandstoffen met de bijhorende CO2 uitstoot.

Daartegenover staan grote kansen door de toename van renewable elektriciteit middels zon en wind, die de mogelijkheid bieden om via elektrificatie de energiekosten te reduceren en de procesindustrie te verduurzamen. Weliswaar een mooie kans maar met de nodige problemen vooral vanwege de grote fluctuatie in aanbod; het waait immers niet altijd en de zon schijnt grote delen van de dag niet. Dat veroorzaakt prijsvariabiliteit.

Om te zien wat de mogelijkheden zijn, is een grondige analyse van de energie- en feedstockbehoefte van de procesindustrie gemaakt en is getoond hoe deze ingevuld kan worden met duurzame elektriciteit.

De behoefte kan ingevuld worden met power-to-heat, power-to-intermediates en power-to-products technologieën. In het geval van power-to-heat wordt bijvoorbeeld aardgas vervangen door duurzame elektriciteit voor verwarming van processen. In de andere gevallen wordt elektrolyse of elektrokatalytische conversie toegepast, waarbij in principe geen fossiele brandstoffen nodig zijn. Een aantal technische ontwikkelingen van researchfase tot en met volledig gerijpt passeerden de revue, inclusief inschatting van de kostenmarges die ze opleveren.

Belangrijke criteria om kansen te beoordelen hebben te maken met de gevoeligheid voor prijsfluctuatie in elektriciteit. Als een proces flexibel te starten is en bijvoorbeeld niet continu is of niet op vast bepaalde tijden moet lopen, dan is de drempel al relatief laag. Dat is ook het geval als de toegevoegde waarde van elektriciteit hoog is, bijvoorbeeld in het geval van power-to-product. Creativiteit in procesinrichting of contractvormen kunnen het landschap hier veranderen. Daarnaast blijven de benodigde investeringen en een risico-inschatting om bepaalde nieuwe technologische ontwikkelingen te introduceren belangrijke beoordelingscriteria.

Slotconclusie was dan ook dat er niet een one-size-fits-all oplossing is. Een oproep is gedaan om op zoek te gaan naar business cases die nu al valide zijn en naar producten met een hoge toegevoegde waarde. Verder moet ingezet worden op ontwikkeling van technologieën met lage kosten en hoge beschikbaarheid, dus weg van de experimenteerfase. Daarbij geldt dat een technologie als mechanische damprecompressie nu al rendabel is in te zetten.

In de discussie na de voordracht kwam naar voren dat met de huidige trend in energie-efficiëntie (1-1,5% per jaar) en de verwachte afnemende meeropbrengst, de doelstelling van 80-95% CO2 reductie in 2050 niet gehaald wordt zonder elektrificatie. Wel werd verwacht dat naast technologische vernieuwingen en daarmee veelal grote afschrijvingen c.q. hoge investeringen, ook andere businessmodellen bestaan om energie-efficiëntie te bereiken; genoemd werden samenwerking tussen bedrijven en energy performance contracting, waarbij de adviseur/kennishebber op een soort no-cure-no-pay basis de procesindustrie helpt om energie-efficiënte te bereiken met bestaande rendabele technologieën.

In een pubquiz nam Frank van Ewijk ons mee in de bouw van de Eiffeltoren. Interessante feiten waren bijvoorbeeld dat de bouwkosten $ 1.500.000, prijspeil 1889 waren. Met inflatie berekend zou dat nu € 35.000.000 zijn. Als de toren nu gebouwd zou worden zou dat echter € 400.000.000 kosten. Uit een analyse blijkt dat te liggen in arbeidskosten, het welvaartsniveau van de arbeider. Vraag is of dat de business case minder interessant zou maken. Frank’s conclusie was dat dat niet het geval was, de jaarlijkse opbrengsten van de Eiffeltoren inclusief imagorevenuen worden geschat op $ 400.000.000.000. Meteen bouwen dus. Overigens de bouw duurde 27 maanden, ongeveer net zo lang als die nu zou duren en kende 1 dodelijk ongeval.